Ambulance, politie of brandweer met sirene: wat moet je doen?
- Een voorrangsvoertuig voert blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn. Overdag mag het ook knipperende koplampen voeren.
- Het gaat om motorvoertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer en de spoedeisende medische hulpverlening (zoals de ambulance), en om motorvoertuigen van andere aangewezen hulpverleningsdiensten.
- Alle weggebruikers laten een voorrangsvoertuig voorgaan, dus ook fietsers, voetgangers en bestuurders van een tram.
- Je laat het voertuig ook voorgaan als jij zelf voorrang hebt, bijvoorbeeld op een voorrangsweg, of als je groen licht hebt.
- Geel of groen zwaailicht hoort bij werkzaamheden en is geen voorrangsvoertuig. De bestuurder van het voorrangsvoertuig mag afwijken van de regels van het verkeersreglement, maar alleen voor zover zijn taak dat vereist. Wie plaats maakt, krijgt die ruimte niet.
De uitleg staat hieronder, met beelden erbij.
Achter je flitst blauw licht en je hoort een sirene. Wat verwacht de wet van jou? Je laat dat voertuig voorgaan, ook als jij zelf voorrang hebt. Hieronder lees je hoe je zo’n voertuig herkent, wat je doet en wat de bestuurder zelf wel en niet mag.
Welke voertuigen zijn voorrangsvoertuigen?
Welke voertuigen mogen dat voeren? De wet noemt drie groepen:
- motorvoertuigen in gebruik bij de politie en de brandweer;
- motorvoertuigen in gebruik bij de spoedeisende medische hulpverlening, zoals de ambulance;
- motorvoertuigen van andere hulpverleningsdiensten die de minister heeft aangewezen.
Een ambulance is in de wet een motorvoertuig dat is ingericht voor zorg aan en vervoer van zieken en gewonden.
Let op: een dierenambulance is in de wet iets anders dan een ambulance. Het is een motorvoertuig dat is ingericht voor het vervoer van zieke en gewonde dieren. Een voorrangsvoertuig herken je niet aan zo’n naam, maar aan het blauwe licht en de tweetonige hoorn.
Aan welke signalen herken je een voorrangsvoertuig?
Een voorrangsvoertuig voert twee soorten signalen:
- een blauw zwaai-, flits- of knipperlicht;
- een tweetonige hoorn. In het dagelijks leven heet dat vaak de sirene.
Volgens de wet voert een voorrangsvoertuig dus licht en geluid. Een politieauto of ambulance zonder blauw licht en zonder tweetonige hoorn is daarom een gewoon voertuig in het verkeer.
Overdag mag de bestuurder naast het blauwe licht ook knipperende koplampen voeren. Met overdag bedoelt de wet de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang.

Het is dag. Een brandweerwagen rijdt met blauw knipperlicht, een tweetonige hoorn en knipperende koplampen. Mag dat?
Is een voertuig met geel of groen zwaailicht ook een voorrangsvoertuig?
Niet elk zwaailicht is blauw. Een voertuig met geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht wordt gebruikt voor werkzaamheden. Dat licht is niet blauw, dus het voertuig is geen voorrangsvoertuig.

Ook de diensten met blauw licht voeren geel of groen licht in plaats van blauw als ze voor zulke werkzaamheden worden gebruikt. Eén uitzondering: de bestuurder die als eerste of als enige de plek bereikt waar hij zijn taak moet uitvoeren, mag in plaats daarvan blauw licht voeren.
Voor jou betekent dat: zie je alleen geel of groen licht, dan hoef je dat voertuig niet als voorrangsvoertuig voor te laten gaan.
Langs de weg staat een voertuig met een geel zwaailicht. Het voert werkzaamheden uit. Is het een voorrangsvoertuig?
Wat moet je doen als een voorrangsvoertuig nadert?
Weggebruikers laten een voorrangsvoertuig voorgaan. In de wet en op het examen heet dat voor laten gaan. Dat geldt voor iedereen die aan het verkeer deelneemt. In de wet zijn weggebruikers onder meer voetgangers, fietsers, bromfietsers en bestuurders van een motorvoertuig of een tram.
Je laat het voertuig ook voorgaan als jij zelf voorrang hebt. Het CBR zegt het zo: een voorrangsvoertuig laat je te allen tijde voorgaan.
Een voorbeeld: jij rijdt op een voorrangsweg en uit een zijweg komt een ambulance met blauw licht en tweetonige hoorn. Normaal moet hij jou voorrang verlenen. Nu laat jij hem eerst voorgaan.
Het gebeurt niet alleen op kruispunten. Een voorrangsvoertuig kan ook op een rechte weg of in een bocht naderen, en ook dan laat je het voorgaan.
De wet zegt niet hoe je plaats maakt. Het doel is wel duidelijk: het voorrangsvoertuig gaat eerst en jij houdt het niet op. Daarbij mag je zelf niemand in gevaar brengen of het verkeer hinderen.
Zo pas je dat toe:
- Heb je zelf voorrang, dan laat je het voorrangsvoertuig toch eerst gaan.
- Heb je groen licht en rijdt het voorrangsvoertuig door rood, dan laat je het ook voorgaan.
- Sta je voor rood licht, dan rijd je niet door om plaats te maken.
- Je maakt plaats op een manier die niemand in gevaar brengt.
- Je blijft om je heen kijken, want de bestuurder van het voorrangsvoertuig mag van de regels afwijken als zijn taak dat vereist.
Voor laten gaan is iets anders dan voorrang verlenen. Wie voorrang heeft, hangt af van borden, haaientanden en regels als voorrang van rechts. Een voorrangsvoertuig laat je voorgaan, ongeacht wie volgens die regels voorrang heeft.
Op een kruispunt zonder borden of haaientanden blijven de gewone voorrangsregels gelden, zoals voorrang van rechts, ook als er een voorrangsvoertuig bij is. Komt er van rechts een auto en van links een brandweerwagen met blauw licht en tweetonige hoorn, dan laat je de brandweerwagen voorgaan en verleen je voorrang aan de auto van rechts.

Je nadert een kruispunt zonder borden of haaientanden. Van rechts komt een auto en van links een ambulance met blauw licht en tweetonige hoorn. Voor wie wacht je?
Je nadert een kruispunt en hebt groen licht. Van links rijdt een ambulance met blauw licht en tweetonige hoorn door rood het kruispunt op. Wat doe je?
Wat mag de bestuurder van een voorrangsvoertuig?
De bestuurder van een voorrangsvoertuig mag afwijken van de voorschriften van het verkeersreglement, maar alleen voor zover de uitoefening van zijn taak dat vereist. Dat is geen vrijbrief. Ook hij mag zich niet zo gedragen dat er gevaar op de weg ontstaat of kan ontstaan.
Die voorschriften zijn bijvoorbeeld de maximumsnelheid en de verkeerslichten. Als zijn taak het vereist, mag zo’n bestuurder dus harder rijden dan toegestaan of bij rood licht een kruispunt oprijden.
Die ruimte geeft de wet aan de bestuurder van het voorrangsvoertuig, niet aan jou. Reken erop dat zo’n bestuurder dingen doet die jij niet mag, ook als jij groen licht hebt. Kijk dus goed om je heen.
Een ambulance rijdt met haast naar een ongeluk. Wie mag van de verkeersregels afwijken, voor zover de taak dat vereist?
Mag iedereen blauw licht voeren?
Nee. Een personenauto die niet in gebruik is bij de politie, de brandweer, de spoedeisende medische hulpverlening of een andere aangewezen dienst, mag geen lichtarmatuur voor blauw zwaai-, flits- of knipperlicht hebben. Een lichtarmatuur is de behuizing van zo’n lamp. Ook voorzieningen die de indruk wekken dat er zo’n lamp op de auto zit, zijn niet toegestaan.
Een gewone personenauto mag ook geen knipperende lichten hebben, behalve onder meer de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten. Voor personenauto’s in gebruik bij de diensten met blauw licht geldt dat verbod niet.
Kort samengevat: bij blauw licht en een tweetonige hoorn laat jij het voertuig voorgaan, ook met voorrang en ook bij groen licht, maar je blijft zelf aan de regels gebonden. Test dat nu in de herhaalsprint en in de quiz.