Naar de inhoud
Hulpmiddelen
Gratis

Complete cursus · 100% gratis

De theoriecursus

  • 25 lessen
  • 8 hoofdstukken
  • 3 uur 35 in totaal
  • quizzen met uitleg
Begin met les 1

Rechts houden: waar op de weg mag jij rijden? · 10 min

Wanneer is je theorie-examen?

Keren, achteruitrijden, wegrijden en slepen: wie moet er voor laten gaan?

8 min leestijdHoofdstuk: Erf, fietsers, brommers en manoeuvresGratis, zonder accountBijgewerkt in oktober 2026okt. 2026
Het belangrijkste in 30 seconden
  • Bij een bijzondere manoeuvre laat je het overige verkeer voorgaan, ook voetgangers.
  • Geef bij wegrijden en van rijstrook wisselen richting aan. Je knipperlicht geeft geen voorrang.
  • Op een autosnelweg of autoweg mag je niet keren of achteruitrijden.
  • Bij het slepen van een motorvoertuig is de afstand tussen de voertuigen maximaal 5 meter.
  • Een militaire colonne of uitvaartstoet van motorvoertuigen mag je niet doorsnijden.

Kijk eerst, geef een teken waar dat moet en laat het overige verkeer voorgaan.

Je wilt uit een parkeervak rijden, maar naast je nadert een fietser. Voordat je stuurt, kijk je wie jouw beweging raakt en laat je die weggebruiker eerst voorbijgaan.

Wie laat je bij een bijzondere manoeuvre voorgaan?

Definitie. Bijzondere manoeuvres zijn onder meer wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, vanaf de weg een inrit inrijden, keren, invoegen, uitvoegen en van rijstrook wisselen. Daarbij moet je het overige verkeer voor laten gaan.

Het woord verkeer betekent hier: alle weggebruikers. Je kijkt dus niet alleen naar auto's, maar ook naar fietsers, bromfietsers en voetgangers die met jouw manoeuvre te maken krijgen.

Bij voorrang verlenen gaat het alleen om bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers. Bij een bijzondere manoeuvre is de groep ruimer: ook een voetganger laat je voorgaan.

Voorbeeld: je wilt keren en een voetganger loopt door de ruimte die je daarvoor nodig hebt. Je wacht. Het maakt niet uit of die persoon van links of van rechts komt.

Beoordeel ook het gevolg van je beweging. Moet iemand voor jou uitwijken of afremmen, dan hinder je hem. Dat mag niet: je mag geen gevaar of hinder veroorzaken, of een situatie scheppen waarin dat kan gebeuren.

Hoe rijd je weg van een parkeerplaats?

Je staat rechts langs de weg geparkeerd. Bij het wegrijden sluit je weer aan bij het verkeer. Dat is een bijzondere manoeuvre: laat anderen voorgaan en gebruik vooraf je richtingaanwijzer, je knipperlicht.

Schema van bovenaf: je auto staat nog in het parkeervak rechts, een fietser nadert van achteren en een tegenligger rijdt op de eigen weghelft.
Je auto staat nog in het parkeervak. Een fietser nadert van achteren.

Het CBR beschrijft in de Rijprocedure B het gewenste rijgedrag van een automobilist. Bij wegrijden vanaf de rechterkant kijk je zo:

  1. Kijk in de binnenspiegel, naar voren, in de linkerbuitenspiegel en over je linkerschouder.
  2. Beoordeel de afstand en snelheid van naderend verkeer. Kun je wegrijden zonder iemand te hinderen?
  3. Geef tijdig richting aan als je veilig kunt wegrijden. Rijd met aangepaste snelheid weg en blijf kijken.

Rijd je weg vanaf de linkerkant van de weg, dan kijk je volgens het CBR in de binnenspiegel, naar voren, in de rechterbuitenspiegel en over je rechterschouder. Zodra je je plaats op de rijbaan hebt ingenomen, zet je de richtingaanwijzer uit.

Staat er een bestelauto voor je, dan beperkt die je uitzicht. Volgens het CBR vraagt dat extra aandacht voor ander verkeer. Een lege spiegel is niet genoeg: kijk ook over je schouder.

Optrekken na een stop in het verkeer, bijvoorbeeld in een file, is volgens het CBR geen bijzondere manoeuvre. Blijf ook dan op andere weggebruikers letten.

Klassieke valkuil. Je richtingaanwijzer geeft geen voorrang. Ook met knipperlicht wacht je tot het overige verkeer voorbij is: het teken kondigt je manoeuvre alleen aan.

Je staat geparkeerd en knippert naar links. Naast je nadert een fietser. Wat doe je?

Waar je mag parkeren, leer je in de les over stilstaan en parkeren.

Rijd je via een uitrit of een inrit?

Je verlaat een oprit en wilt de weg op. Je gebruikt de uitrit, de toegang waarlangs je het terrein verlaat. Het overige verkeer gaat voor, ook iemand die over het trottoir voor je auto langs loopt.

Wil je juist vanaf de weg een oprit in? Dan gebruik je die toegang als inrit. Ook dat is een bijzondere manoeuvre. Laat verkeer dat je pad kruist voorgaan voordat je de inrit instuurt.

Wil jij inrijden terwijl een ander uitrijdt? Jullie moeten elkaar voor laten gaan. Volgens het CBR laat je bij voorkeur de uitrijdende auto eerst gaan: dat houdt het verkeer in beweging en maakt het inrijden makkelijker. Dat is geen aparte wettelijke voorrangsregel.

Schema van bovenaf: de auto staat nog op de oprit, vóór de doorlopende stoep. Een voetganger nadert over de stoep en een auto nadert op de rijbaan.
De auto staat nog op de oprit. Over het trottoir nadert een voetganger.

Een erf is vooral een gebied om te verblijven, niet voor doorgaand verkeer. Volgens de Rijprocedure B hebben de in- en uitgangen meestal de vorm van een in- en uitrit. Verlaat je het erf via zo'n uitrit, dan laat je dus ook voetgangers voorgaan.

Het CBR beschrijft ook situaties waarin het einde van het erf vóór de doorgaande weg ligt. De aansluiting kan dan een gewoon kruispunt zijn. Kijk naar de aansluiting zelf; alleen weten dat je uit een erf komt is niet genoeg.

Hoe je een uitrit herkent en wat er geldt bij een onverharde weg, leer je in de les over uitritten en onverharde wegen.

Op het examen. Vraag je eerst af waar jouw auto vandaan komt: uit een uitrit, naar een inrit of van een gewone weg. Rijd je uit een uitrit of in een inrit, dan laat je iedereen voorgaan, ook voetgangers. Het maakt dan niet uit van welke kant ze komen.

Waar let je op bij achteruitrijden?

Je wilt achteruit uit een parkeervak. Ook bij lage snelheid moet je alle andere weggebruikers voor laten gaan. Een voetganger achter de auto hoeft niet opzij voor jouw manoeuvre.

Volgens de Rijprocedure B van het CBR controleer je vóór én tijdens de beweging of die veilig kan. Je gebruikt de spiegels en kijkt over je schouder. Een achteruitrijcamera mag je aanvullend gebruiken.

Kijk niet alleen naar het camerascherm. Komt iemand in je rijlijn, stop dan om diegene voor te laten gaan.

Geheugensteun. Eerst kijken, dan een teken geven waar dat moet, en altijd het overige verkeer voor laten gaan. Het teken geeft je nooit voorrang.

Mag je hier keren?

Je bent verkeerd gereden en wilt keren: je auto omdraaien om in de tegengestelde richting verder te rijden. Controleer eerst of dat mag. Het bord Keerverbod verbiedt deze manoeuvre.

Het officiële verkeersbord Keerverbod
Keerverbod.

Op een autosnelweg of autoweg zijn keren én achteruitrijden verboden. Een gemiste afslag verandert dat niet. Rijd verder; ga niet achteruit om alsnog de afslag te halen.

Overtreding van deze verboden is strafbaar; bij een veroordeling kan de rechter je de rijbevoegdheid tot twee jaar ontzeggen.

Staat er geen bord Keerverbod, dan ben je er nog niet. Je laat het overige verkeer voorgaan, geeft richting aan waar dat moet en veroorzaakt geen gevaar of hinder.

Kies bij het keren een plek met genoeg ruimte en goed zicht op het verkeer. Zie je naderend verkeer niet goed, zoek dan een andere plek. Dat je auto er past, is niet genoeg.

Wanneer kun je van rijstrook wisselen?

Je rijdt rechts en wilt naar de strook naast je. Een rijstrook is een met strepen afgebakend deel van de rijbaan, breed genoeg voor een motorvoertuig op meer dan twee wielen, zoals een auto. Ook tijdens het rijden is wisselen een bijzondere manoeuvre.

Schema van bovenaf: je rijdt nog op de rechterrijstrook. Links achter je nadert een auto. In elke rijstrook ligt een pijl naar voren.
Je rijdt nog op de rechterrijstrook. Links achter je nadert een auto.

Laat het verkeer op de andere strook ongehinderd verder rijden. Past je auto ertussen, maar moet de achterste auto daardoor remmen? Blijf dan op je eigen strook.

Volgens het CBR beoordeel je eerst of je veilig kunt wisselen en geef je ruim vóór de beweging richting aan. Na de rijstrookwissel zet je de richtingaanwijzer uit.

Op het examen. Zie je een knipperende auto naast je, verwar zijn bedoeling dan niet met voorrang. Bepaal welke auto van rijstrook wil wisselen. Die bestuurder moet het overige verkeer voor laten gaan.

Hoe je de juiste strook voor je afslag kiest, leer je in de les over voorsorteren. Invoegen en uitvoegen zijn ook bijzondere manoeuvres: die staan in de les over de autosnelweg.

Hoeveel ruimte mag er bij slepen tussen de auto's zitten?

Je wilt met je auto een andere auto slepen: hem achter jouw auto aan trekken. Bij het slepen van een ander motorvoertuig mag er maximaal 5 meter tussen de voertuigen zitten.

Je meet vanaf de achterzijde van de trekkende auto tot de voorzijde van de gesleepte auto. Het gaat dus niet om de totale lengte van beide auto's samen.

Tussen de achterkant van de trekkende auto en de voorkant van de gesleepte auto zit precies 5 meter. Voldoet dat aan de afstandsregel?

Kun je tussen voertuigen van een stoet door?

Je wilt de weg oprijden en ziet ruimte tussen auto's van een uitvaartstoet. Je mag een uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden: steek niet tussen de deelnemende voertuigen door. Wacht tot de stoet voorbij is.

Hetzelfde geldt voor een militaire colonne. Dat zijn militaire motorvoertuigen of motorvoertuigen van de rampenbestrijding die achter elkaar rijden, onder één commandant en met de vastgestelde herkenningstekens.

Ook een uitvaartstoet heeft voorgeschreven herkenningstekens. De deelnemende motorvoertuigen begeleiden een overledene of diens as. Een gewone groep auto's die toevallig achter elkaar rijdt, is daarmee nog geen uitvaartstoet.

Onthoud het zo: bij elke bijzondere manoeuvre laat je het overige verkeer voorgaan, ook voetgangers, en je richtingaanwijzer geeft je geen voorrang. Oefen dat met de herhaalsprint en maak daarna de quiz.

De verkeersborden van deze lesJe geheugensteun: de vorm en de betekenis, vóór de quiz1
Verkeersbord: Keerverbod
Keerverbod

Verkeersborden volgens het Nederlandse Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Elk bord wordt uitgelegd in de bijbehorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.

Bronnen en methode
  • RVV 1990, artikelen 1, 16, 30c, 43, 53, 54, 55 en 92; versie 1 juli 2026, lokale kopie van 21 oktober 2026.
  • RVV 1990, bijlage 1: F7 Keerverbod.
  • Wegenverkeerswet 1994, artikel 5; versie 1 september 2026, lokale kopie van 21 oktober 2026.
  • Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B, artikel 3, onderdeel c; versie 1 april 2026, lokale kopie van 21 oktober 2026.
  • CBR, Rijprocedure B, versie 1 januari 2024, onderdelen 3.1 Wegrijden (bladzijden 19 en 20), 3.5 Inhalen / zijdelings verplaatsen (bladzijde 43), 3.6 In- /uitrit en Erf (bladzijden 44 en 45), 3.7 Bijzondere verrichtingen (bladzijde 55); lokale kopie in sources/complements/cbr-rijprocedure-b/page.txt. Praktische rijaanwijzingen, geen afzonderlijke wettelijke regels.

Auteur: Wenceslas Dasnois, oprichter van Theorie Rijbewijs. Les geschreven en gecontroleerd volgens onze redactionele principes en onze werkwijze.

Beeldverantwoording. Copyright (c) 2024 Nationaal Dataportaal Wegverkeer ; Illustraties en schema’s: Theorie Rijbewijs ; Officiële verkeersborden: Copyright (c) 2024 Nationaal Dataportaal Wegverkeer.