Dimlicht, grootlicht, mistlicht en dagrijlicht: welk licht gebruik je wanneer?
- Dimlicht gebruik je bij nacht en overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd.
- Grootlicht mag alleen bij nacht, zonder tegenliggers en zonder een ander voertuig op korte afstand te volgen.
- Dagrijlicht mag overdag, maar niet samen met ander licht aan de voorkant. Is dimlicht verplicht, dan is dagrijlicht niet genoeg.
- Mistlicht voor mag bij ernstig belemmerd zicht door mist, sneeuwval of regen; dimlicht hoeft er dan niet bij.
- Mistachterlicht mag alleen bij mist of sneeuwval met minder dan 50 meter zicht, niet bij regen.
Hieronder leer je welk licht je wanneer kiest en wanneer je omschakelt.
Je rijdt 's nachts buiten de bebouwde kom en er komt iemand je tegemoet. Je wilt de weg blijven zien, maar je mag de ander niet verblinden. Welke verlichting kies je, en wanneer schakel je terug?
Wanneer moet je dimlicht aan?
Je vertrekt na zonsondergang. Dan voer je met je auto dimlicht, ook als je zelf nog redelijk kunt zien. Je wacht dus niet tot het helemaal donker is.
Ook in een goed verlichte straat voer je dimlicht. Straatverlichting maakt geen verschil: wat telt is het tijdstip, niet hoeveel licht de straat geeft.
Overdag gaat dimlicht aan als het zicht ernstig wordt belemmerd. Denk aan hevige regen: je ziet de weg en het verkeer nauwelijks meer.
Het CBR noemt in de Rijprocedure B nog meer omstandigheden die het zicht ernstig kunnen belemmeren: mist, sneeuwval, verblindend zonlicht, te weinig daglicht door de schaduw van bomen en rijden in een parkeergarage. Volgens het CBR helpt licht je niet alleen om te zien: het zorgt er vooral ook voor dat anderen jou zien.
De regel noemt geen vaste afstand. Voeren de meeste bestuurders licht, dan mag je er volgens het CBR van uitgaan dat het nodig is.
Het overtreden van deze verlichtingsregels is strafbaar.
De zon is onder, maar de straat is goed verlicht. Mag je zonder rijverlichting verder?
Mag je op een lege buitenweg grootlicht gebruiken?
Je rijdt 's nachts over een donkere weg buiten de bebouwde kom. Er komt niemand tegemoet en je volgt geen voertuig op korte afstand. Je mag grootlicht gebruiken in plaats van dimlicht.
Grootlicht verlicht de weg vóór je auto over een grote afstand. Volgens het CBR kan grootlicht gewenst zijn als je zicht te beperkt is voor de snelheid die je rijdt.

Je bent niet verplicht om op een donkere weg grootlicht aan te zetten: dimlicht blijft toegestaan. Met grootlicht mag je volgens het CBR niemand hinderen.
Voorbeeld: je rijdt alleen op een donkere buitenweg en ziet een fietser tegemoetkomen. Schakel op tijd terug naar dimlicht, ook al blijft de weg donker.
Wat doe je bij tegenliggers en voorliggers?
Een tegenligger komt je tegemoet. Bij het tegenkomen van een andere weggebruiker mag je geen grootlicht voeren. Dat geldt niet alleen voor auto's: ook een voetganger of fietser telt mee, met of zonder licht.

Een voorligger rijdt vóór je in dezelfde richting. Volg je een ander voertuig op korte afstand, dan mag je ook geen grootlicht voeren. Je gebruikt dimlicht, zelfs als de andere weghelft leeg is.
De regel noemt bij ‘korte afstand’ geen aantal meters. Kijk dus niet alleen naar tegemoetkomend verkeer, maar ook naar het voertuig vóór je.
Je rijdt 's nachts op een lege weg vlak achter een vrachtwagen. Aan de overkant komt niemand. Mag je grootlicht voeren?
Is dagrijlicht genoeg als het weer omslaat?
Je rijdt overdag met goed zicht. Dan mag je dagrijlicht voeren: licht aan de voorkant waardoor anderen je overdag beter zien. Je bent niet verplicht het aan te zetten.
Begint het onderweg zo hard te regenen dat je zicht ernstig wordt belemmerd? Dan is alleen dagrijlicht onvoldoende. Je kiest dimlicht, of mistlicht voor als dat mag.
Dagrijlicht mag je niet tegelijk met ander licht aan de voorkant voeren. Dimlicht en dagrijlicht samen mag dus niet: dimlicht neemt de plaats van dagrijlicht in.
Met dimlicht of mistlicht voor mag je wel bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren, als je auto die verlichting mag hebben. Manoeuvreerlichten mag je daarbij alleen voeren als je niet harder rijdt dan 10 km/h.
Overdag mag je ook geen grootlicht voeren in plaats van dimlicht. Een donkere lucht maakt van de dag geen nacht: tussen zonsopgang en zonsondergang blijft het dag.
Wanneer mag je mistlicht voor of mistachterlicht voeren?
Je komt in een zware regenbui terecht. Mistlicht voor verlicht de weg beter bij mist of soortgelijk slecht zicht. Mistachterlicht maakt je bij dichte mist van achteren beter zichtbaar. Voor beide gelden andere voorwaarden.
Bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert, mag je mistlicht voor voeren. Dan hoef je geen dimlicht te voeren.
Voor mistachterlicht tellen twee dingen: de weersoort (alleen mist of sneeuwval) én de zichtafstand, de afstand waarover je nog kunt zien. Die moet minder dan 50 meter zijn.
| Situatie tijdens je rit | Mistlicht voor | Mistachterlicht |
|---|---|---|
| Regen die het zicht ernstig belemmert | Mag aan | Mag niet aan |
| Mist of sneeuwval met minder dan 50 meter zicht | Mag aan | Mag aan |
| Mist of sneeuwval met ernstig belemmerd zicht van 50 meter of meer (ook precies 50 meter) | Mag aan | Mag niet aan |
Het regent zo hard dat je zicht ernstig wordt belemmerd. Mag je mistlicht voor aanzetten?
Welke verlichting kies je in een tunnel?
Je rijdt overdag een tunnel in. Volgens het CBR kan te weinig daglicht in een tunnel je zicht ernstig belemmeren. Is dat zo, dan voer je dimlicht, ook al is het buiten helder. Grootlicht in plaats van dimlicht mag overdag niet, ook niet in een tunnel. Meer daarover lees je in de les over rijden in een tunnel.
Wat doe je als koplampen je verblinden?
Felle koplampen van een tegenligger kunnen je verblinden: je ziet de weg dan veel minder goed.
Het CBR adviseert om langs de lichten te kijken in plaats van erin. Het noemt ook de kantlijn, de lijn langs de rand van de rijbaan, en bermpaaltjes als hulp om je te oriënteren.

Word je verblind, neem dan gas terug: je moet kunnen stoppen binnen de afstand waarover je de weg kunt overzien en waarover die vrij is. Dat geldt ook als je terugschakelt van grootlicht naar dimlicht.
Verblind de ander niet terug met je grootlicht: bij het tegenkomen van een andere weggebruiker mag dat niet. In de les over remweg en stopafstand lees je meer over stoppen.
Wat moet er achter je auto en aanhanger branden?
Je controleert voor een nachtelijke rit je verlichting. Kijk ook naar de achterkant: het achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten tegelijk branden met grootlicht, dimlicht, stadslicht of mistlicht.
Stadslicht laat van voren zien dat je voertuig er is en hoe breed het is. Het vervangt dimlicht niet tijdens het rijden. Pas op: met alleen stadslicht branden ook je achterlichten, maar je rijdt dan niet met het verplichte dimlicht.
Je trekt een aanhangwagen? Ook die moet bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht overdag achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het voor die aanhanger voorgeschreven stadslicht voeren.
Welk stadslicht is voorgeschreven? Is de aanhanger breder dan 1,60 meter, dan moet hij in principe twee stadslichten hebben. Een smallere aanhanger hoeft geen stadslicht te hebben.
Hoe herken je een fiets in het donker?
Je ziet 's nachts een licht voor je op de weg. Bij een gewone tweewielige fiets hoort wit of geel licht voor en rood licht achter. Zo zie je welke kant de fietser op rijdt.

Dat voorlicht mag ook op de borst zitten en het achterlicht op de rug van de fietser of achterpassagier. Kijk dus niet alleen naar lampen die aan de fiets vastzitten.
Deze fietsverlichting is nodig bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht overdag. Ze mag niet knipperen of verblinden. Het voorlicht moet voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomend verkeer en het achterlicht voor verkeer dat van achteren nadert.
Het tijdstip, het zicht en wie je tegenkomt of volgt bepalen je licht. Test het in de herhaalsprint en de quiz.