Informatieborden en bewegwijzering: wat vertellen ze je?
- Zoek op een wegwijzer eerst je bestemming en dan de pijl erbij; de voorwegwijzer kondigt de afslag al aan.
- Lees bij rijstrookborden welke strook verandert en voor welke strook een verkeersbord geldt.
- Hoogte onderdoorgang geeft informatie; een rond hoogtebord geeft een toegangsverbod.
- Bij een bushalte geldt het stopverbod langs de geblokte markering, of zonder markering op minder dan 12 meter van het bord, behalve voor onmiddellijk in- en uitstappen.
- In een tunnel wijzen borden je naar hulp en uitgangen. Je mag er je auto niet laten stilstaan.
Hier leer je de borden lezen voordat je een richting of rijstrook kiest.
Je zoekt een afrit en ziet verschillende borden tegelijk. Welke pijl hoort bij jouw bestemming? En vertelt het bord iets over je route, je rijstrook of een plek langs de weg?
Hoe vind je de juiste afrit?
Je rijdt op de autosnelweg naar een andere stad. De bewegwijzering, de wegwijzers voor je route, laat zien welke richting je bestemming op ligt. De voorwegwijzer geeft die informatie al voordat je moet kiezen.

Zoek eerst je bestemming, daarna de bijbehorende pijl. Een beslissingswegwijzer helpt je op de plek waar de routes uit elkaar gaan. Verwar de doorgaande richting niet met de afgaande richting: die laatste verlaat de doorgaande route.
Op de voorwegwijzer voor een afrit staat linksboven de afstand tot de afrit of het afritnummer. De bovenste bestemming is de afritnaam. Zo controleer je of je de bedoelde afrit nadert, voordat je de afgaande richting kiest.
Wil je onderweg pauzeren? Zoek de wegwijzer naar een verzorgingsplaats: een plek langs de snelweg met voorzieningen. De symbolen geven aan welke voorzieningen er zijn.
Hoe je de afrit veilig neemt, leer je in de les over de autosnelweg en de autoweg.
Welke wegwijzer hoort bij jouw route?
Na de afrit zoek je een wijk. Buiten de autosnelweg kom je wegwijzers naar plaatsen tegen; binnen de bebouwde kom helpen ook wijknamen en wijknummers je verder.

Een bord met bestemmingen per rijstrook helpt je voorsorteren: vooraf de strook voor je richting kiezen. De wegwijzer met bestemmingen per strook is een ander bord dan het bord Voorsorteren met alleen pijlen.
Een wijknummer hoort bij de wijk; het is geen afritnummer van de snelweg.
Je ziet jouw bestemming ook op een witte wegwijzer met rode letters. Dat is een wegwijzer voor fietsers en bromfietsers, niet voor het autoverkeer. Die route is dus niet automatisch jouw autoroute.

Is jouw route omgeleid, dan wordt het verkeer langs een andere route geleid. Lees de richting voor je bestemming op de omleidingsaanduiding.
Het bord Route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen wijst routes aan waarop dat vervoer is toegestaan. Het is geen omleidingsbord.
Je bestemming staat op een wegwijzer voor fietsers. Is daarmee jouw autoroute aangegeven?
Wat verandert er aan jouw rijstrook?
Je nadert een kruispunt of een plek waar rijstroken samenkomen. Op deze borden laten pijlen zien wat elke strook doet.

Het bord Voorsorteren toont een pijl per strook en staat op enige afstand vóór de voorsorteervakken: je kunt je keuze dus voorbereiden. Bij Einde rijstrook buigt de pijl van de strook die ophoudt naar de strook ernaast. Bij Splitsing buigt één pijl van de andere pijlen weg, terwijl die rechtdoor gaan, en bij Aantal doorgaande rijstroken gaan alle pijlen rechtdoor.
Houdt jouw strook op? Bereid een rijstrookwissel voor en laat daarbij het overige verkeer voorgaan. Een verdrijvingsvlak, een vlak met schuine strepen, mag je niet gebruiken. Het is geen verlenging van jouw strook.
Er zijn twee uitzonderingen. Volg je een spitsstrook die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert, dan mag je het vlak gebruiken. Dat geldt ook als je rechtmatig een busbaan of busstrook volgt die zo'n splitsing of samenvoeging passeert.
Zie je in plaats daarvan een driehoekig bord voor een rijbaanversmalling? Dat waarschuwt voor een smallere rijbaan; het wordt niet gebruikt om het einde van een rijstrook aan te geven.

Bij meerdere stroken kan een verkeersbord maar voor een deel daarvan gelden. Dan staat het verkeersbord zelf in een blauw paneel met pijlen, bij de pijl van de strook waarvoor het geldt.

Een vooraanduiding van een verkeersmaatregel vertelt je al vóór de keuze welke maatregel in de aangegeven richting komt. Bekijk dus richting én maatregel, voordat je die weg neemt.
Je strook eindigt bij een verdrijvingsvlak. Kun je over dat vlak verder rijden?
Hoe je van strook wisselt, leer je in de les over voorsorteren; de markeringen op het wegdek komen aan bod in de les over strepen en markeringen.
Wat controleer je vóór een onderdoorgang?
Je rijdt met bagage op het dak naar een onderdoorgang. Vergelijk de hoogte van je voertuig inclusief lading met de aangegeven hoogte. Kijk daarbij ook naar de vorm en de kleur van het bord.

Het informatiebord geeft de hoogte van de onderdoorgang aan. Het ronde verbodsbord sluit de weg voor voertuigen die hoger zijn dan het aangegeven getal, inclusief hun lading. Het blauwe bord informeert, het ronde bord met rode rand verbiedt de doorgang.
Op beide borden ligt het getal altijd 0,10 tot 0,20 meter onder de gemeten doorrijhoogte.
Waar moet je op overstekers en haltes letten?
Je rijdt door een winkelstraat. Zie je het bord Voetgangersoversteekplaats of het bord Bushalte / tramhalte, dan gelden er twee verschillende regels.

Het oversteekbord staat alleen bij een zebra. Op een zebra en binnen vijf meter ervan mag je je auto niet laten stilstaan. Wie je daar moet voor laten gaan, leer je in de les over voetgangers en het zebrapad.
Wil je bij de bushalte op iemand wachten? Kijk naar de geblokte markering, de reeks blokken bij de halte. Daar mag je niet stilstaan. Ontbreekt die markering, dan geldt dit op minder dan 12 meter van het bord.
Voorbeeld: je vriend moet nog uit een winkel komen. Dat is wachten, geen onmiddellijk instappen. De uitzondering geldt alleen voor direct in- of uitstappende passagiers, niet voor wachten tot iemand verschijnt.
Bij de halte staat je passagier nog in een winkel. Geldt de uitzondering voor onmiddellijk instappen?
Andere stopverboden komen aan bod in de les over stilstaan en parkeren.
Wat vertellen een doodlopende weg en een uitwijkplaats je?
Je zoekt een adres en wilt een zijweg nemen. Een doodlopende weg loopt niet door; de vooraanduiding laat je dat al vóór die zijweg zien.

Zoek je een doorgaande route, kies dan niet deze zijweg als doorsteek. Een doodlopende weg is op zichzelf geen toegangsverbod: een adres in die straat kan nog steeds je bestemming zijn.
Op een smalle buitenweg komt een tegenligger aan. Een uitwijkplaats is ruimte naast de weg om elkaar te kunnen passeren. Let op de aangegeven kant: rechts of links. Het bord wijst ruimte aan en regelt niet wie voorrang heeft.
Welke informatie helpt je in een tunnel?
Je nadert een tunnel. Herken de toegang en de vluchthavens, plekken naast de rijbaan voor noodgevallen.

Onder op het bord Verkeerstunnel staat de lengte van de tunnel.
Wil je in de tunnel stoppen om je route te bekijken? Doe dat niet: in een tunnel mag je je auto niet laten stilstaan. Een vluchthaven is geen gewone pauzeplek: je mag die alleen in noodgevallen gebruiken.
Ontstaat er een noodsituatie, dan helpt een volgende groep borden je hulp of een uitgang te vinden.

Zoek je een telefoon, let dan op het telefoonsymbool; een blusapparaat alleen zegt niet dat er ook een telefoon hangt. Op het groene uitgangsbord wijst de pijl naar de uitgang en zegt het getal hoeveel meter het is; hangen er borden voor twee richtingen, dan vergelijk je de afstanden.
In de les over rijden in een tunnel leer je wat je bij pech of brand doet.
Bij elk informatiebord vraag je je drie dingen af: waarover informeert het, voor wie is het en wat doe je ermee? Oefen dat met de herhaalsprint en maak daarna de quiz.
De verkeersborden van deze lesJe geheugensteun: de vorm en de betekenis, vóór de quiz36
























Verkeersborden volgens het Nederlandse Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Elk bord wordt uitgelegd in de bijbehorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.