Verlichting, spiegels, ruitenwissers en dashboard: wat moet er werken?
- Controleer je verlichting op werking, kleur en beschadiging.
- Bij een licht met meerdere lichtbronnen mag maximaal 25% van het lichtoppervlak uitvallen.
- Je spiegels moeten vastzitten en voldoende zicht naast en achter je geven.
- De voorruit en voorste zijruiten laten minstens 55% licht door.
- Bij een auto van nu moeten ook de snelheidsmeter, wissers, sproeiers en claxon werken.
Moet je een richtingaanwijzer altijd kunnen horen?
Je leent een auto. Controleer vóór vertrek de verlichting, de spiegels en je zicht door de ruiten.
Welke lichten controleer je voor vertrek?
Bij een auto die in 2015 in gebruik is genomen, controleer je de volgende lichtfuncties. Verschillende functies kunnen in dezelfde behuizing zitten.
Aan de voorkant horen twee grote lichten, twee dimlichten en twee stadslichten. Grootlicht en dimlicht verlichten de weg. Stadslichten laten van voren zien dat er een auto is en hoe breed hij is.
De richtingaanwijzers zijn de knipperlichten: twee voor en twee achter. Bij auto's van na 31 december 1997 zijn ook waarschuwingsknipperlichten en richtingaanwijzers aan de zijkanten verplicht.
Een richtingaanwijzer aan de voorkant telt ook als zijrichtingaanwijzer als je zijn licht duidelijk ziet vanaf een punt 6 meter achter de voorkant van de auto en 1 meter opzij.

Vraag bij de controle van de achterkant iemand om het rempedaal in te drukken. Bij deze auto controleer je:
- Twee achterlichten en twee remlichten, plus het derde remlicht.
- Verlichting voor de achterste kentekenplaat en twee rode retroreflectoren.
- Het mistachterlicht en het achteruitrijlicht.
Mistachterlicht, achteruitrijlicht en waarschuwingsknipperlichten zijn verplicht na 31 december 1997; een derde remlicht na 30 september 2001.
Kan het derde remlicht niet op de voorgeschreven middenpositie worden bevestigd, dan komen er twee extra remlichten. Bij auto's van vóór 1 juli 1967 gelden afwijkingen voor richtingaanwijzers en het aantal remlichten.
Wanneer je onderweg welke verlichting gebruikt, leer je in dimlicht en grootlicht.
Is een andere kleur altijd een defect?
Een achteruitrijlicht mag wit of geel stralen. Kijk daarom naar de functie van het licht.
| Lichtfunctie | Toegestane kleur |
|---|---|
| Grootlicht, dimlicht, stadslicht, achteruitrijlicht | Wit of geel |
| Mistvoorlichten (als je auto ze heeft) | Wit of geel |
| Dagrijlichten (als je auto ze heeft) | Wit |
| Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten voor | Ambergeel of wit |
| Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten achter | Ambergeel of rood |
| Zijrichtingaanwijzers | Ambergeel |
| Achterlichten en mistachterlichten | Rood |
| Gewone remlichten | Rood of ambergeel |
| Derde remlicht | Rood |

Ambergeel is de oranjegele kleur die je van veel knipperlichten kent. De kentekenverlichting achteraan moet wit zijn: zij verlicht de plaat en mag niet naar achteren stralen.
Je controleert een rood knipperende richtingaanwijzer achteraan. Is die kleur toegestaan?
Wat als een lamp maar gedeeltelijk werkt?
Je ziet donkere stukjes in een achterlicht met meerdere kleine lichtbronnen. De verplichte lichten moeten goed werken. Bij meerdere lichtbronnen mag door uitval maximaal 25% van het oorspronkelijke lichtoppervlak verdwijnen.
Je beoordeelt het oppervlak, niet zomaar het aantal kapotte lampjes.
Vergelijk ook links en rechts. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg dezelfde grootte, kleur en sterkte hebben.
De glazen van je lichten mogen niet ontbreken. Ze mogen ook niet zo beschadigd, gerepareerd of bewerkt zijn dat het licht of de werking van de lamp slechter wordt.
De verplichte lichten en reflectoren mogen op het deel waar het licht doorheen komt hooguit voor 25% zijn afgeschermd. Dat gaat over afscherming, niet over uitgevallen lichtbronnen.
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld. Heeft je auto een inrichting waarmee je de dimlichten vanaf de bestuurdersplaats aan de belading aanpast, dan moet die goed werken.
Een gewone auto mag geen blauwe zwaai-, flits- of knipperlichtarmaturen hebben, ook geen voorzieningen die daarop lijken. Alleen uitgeschakeld houden maakt ze niet toegestaan.
Je auto mag ook niet meer lichten en reflectoren hebben dan voorgeschreven of toegestaan is. Lampen of voorwerpen in de auto die licht naar buiten stralen, mogen evenmin.
Ook verblindende verlichting is verboden, met grootlicht als uitzondering op deze voertuigeis. Knipperen is voorbehouden aan richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten voor het noodstopsignaal. Zijmarkeringslichten, de lampjes die de zijkant van het voertuig markeren, mogen wel met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant meeknipperen.
Het noodstopsignaal laat weggebruikers achter je zien dat je auto sterk vertraagt. Alle remlichten of alle richtingaanwijzers werken dan tegelijk.
Wat moet je op het dashboard kunnen controleren?
Een optisch signaal zie je. Een akoestisch signaal hoor je.
Of het mistachterlicht aanstaat, moet zichtbaar worden aangegeven. Dat geldt ook voor grootlicht bij auto's van na 31 december 1997 en voor mistvoorlichten bij auto's van na 31 december 2012.
Je zet in die auto een richtingaanwijzer aan, maar hoort geen tikken. Dat hoeft geen gebrek te zijn: bij richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten is een zichtbaar óf hoorbaar signaal voldoende. Deze eis geldt na 31 december 1997.
Bij auto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moet de snelheidsmeter goed werken en ook ’s nachts leesbaar zijn.
Het CBR rekent kennis van dashboardsymbolen tot de examenstof van Voertuigkennis. Een waarschuwingslampje op het dashboard negeer je daarom niet.
Is je auto na 31 december 2017 in gebruik genomen, dan mag de waarschuwing van het stabiliteitscontrolesysteem, het bandenspanningscontrolesysteem, het antiblokkeersysteem en het elektronisch remsysteem geen defect aangeven. Meldt zo'n waarschuwing na het starten een storing, dan laat je die eerst verhelpen.
Geeft het eCall-systeem van je auto na het starten een waarschuwing, dan werkt het niet goed. Ook die waarschuwing laat je eerst verhelpen.

In een auto uit 2015 zie je de richtingaanwijzercontrole knipperen, zonder geluid. Voldoet dit signaal?
Zijn je spiegels bruikbaar vanaf jouw zitplaats?
Kijk vóór vertrek wat je in de spiegels ziet en stel ze zo nodig bij. Je moet voldoende zicht hebben op het weggedeelte naast en achter je.
Een auto die na 25 januari 2010 in gebruik is genomen, heeft een linker- en rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. Geeft de binnenspiegel onvoldoende zicht op de weg achter de auto, dan hoeft die binnenspiegel niet aanwezig te zijn.
Bij oudere auto's zijn links buiten en binnen het uitgangspunt. Geeft de binnenspiegel onvoldoende zicht achteruit, dan is ook rechts buiten verplicht. Geeft de binnenspiegel helemaal geen zicht achteruit, dan mag hij ontbreken.
Heeft je auto geen rechterbuitenspiegel, dan mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen hebben. Er mogen dan ook geen onnodige voorwerpen je zicht door de achterruit belemmeren.
Verplichte spiegels mogen geen gebroken of ernstig verweerd glas hebben en moeten stevig vastzitten. Verweerd glas is door aantasting minder helder geworden.
Heeft de auto beeldschermen in plaats van spiegels? Een camera-monitorsysteem geeft camerabeelden op een scherm. Het mag verplichte spiegels vervangen als het goed werkt en deugdelijk bevestigd is; het vereiste zicht blijft gelden.
Voor vertrek zie je genoeg in een verplichte buitenspiegel, maar het glas is gebroken. Is deze spiegel in orde?
Wat doe je als de ruit je zicht beperkt?
Je wilt wegrijden, maar een voorwerp aan de voorruit hangt in je zicht. Haal het weg: onnodige voorwerpen mogen het uitzicht door de voorruit en zijruiten naast je niet belemmeren.
Bij getinte ruiten kijk je naar de lichtdoorlatendheid: hoeveel licht erdoorheen komt. Voor de voorruit en de zijruiten naast de bestuurder is dat minstens 55%. Je beoordeelt de ruit, niet alleen de aangebrachte folie.

Voor de voorruit gelden grenzen afhankelijk van het soort schade en de plek. Laat twijfel beoordelen; niet elke barst betekent automatisch afkeur. De zijruiten naast je mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen.
Bij regen moeten de ruitenwissers je voldoende uitzicht geven. Sproeiers brengen vloeistof op de ruit; ontwaseming verwijdert condens, ontdooiing ijs. Bij auto's met een voorruit die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen moeten ook sproeiers en de ontdooiings- en ontwasemingsinstallatie goed werken.
Voor vertrek blijkt dat je voorste zijruit minder dan 55% licht doorlaat. Voldoet de ruit?
Moet ook je claxon werken?
Je merkt vóór vertrek dat de claxon niets doet. De auto moet minstens één goed werkende hoorn met vaste toonhoogte hebben. Laat het defect herstellen.
Wanneer je mag claxonneren, leer je in de les over richting aangeven en claxonneren. Andere gebreken aan je auto herken je met de les over banden, remmen en stuur.
Maak nu de quiz.