Naar de inhoud
Hulpmiddelen
Gratis

Complete cursus · 100% gratis

De theoriecursus

  • 54 lessen
  • 15 hoofdstukken
  • 7 uur 29 in totaal
  • quizzen met uitleg
Begin met les 1

Rechts houden: waar op de weg mag jij rijden? · 10 min

Wanneer is je theorie-examen?

Kwetsbare verkeersdeelnemers: zo houd je rekening met hen

8 min leestijdHoofdstuk: Jij als bestuurderGratis, zonder accountBijgewerkt in oktober 2026okt. 2026
Het belangrijkste in 30 seconden
  • Houd rekening met kwetsbare en onervaren weggebruikers, ook als ze in een voertuig zitten.
  • Kies je snelheid zo dat je kunt stoppen binnen het zichtbare, vrije stuk weg.
  • Voor een gehandicaptenvoertuig op het trottoir gelden ook de voetgangersregels, ook bij oversteken van trottoir naar trottoir.
  • Een brommobiel mag maximaal 45 km/h, een snorfiets 25 km/h, tenzij een lagere limiet geldt.
  • Een ruiter gebruikt het ruiterpad. Ontbreekt dat, dan mag hij de berm of rijbaan gebruiken.

Je hebt voorrang, maar de ander laat je niet door; hoe reageer je?

Naast een geparkeerde bestelauto zie je een kind staan. De ruimte erachter kun je niet zien. Je moet nu al bepalen of je snelheid past bij wat je kunt overzien.

Wie vraagt extra aandacht onderweg?

Je rijdt achter een fietser, terwijl verderop een klein voertuig langzaam rijdt. Je aandacht gaat misschien vanzelf naar de fietser. Maar ook de bestuurder van dat kleine voertuig kan extra aandacht nodig hebben.

Geheugensteun. Het examenprogramma geeft voorbeelden van de meest kwetsbare weggebruikers. Daarbij staan zowel mensen te voet als mensen op of in een voertuig.

Het programma noemt kinderen, voetgangers, fietsers en ruiters. Ook bestuurders van brommobielen en voertuigen met beperkte snelheid horen erbij, net als mensen die zich moeilijk kunnen verplaatsen.

Het CBR noemt in zijn Rijprocedure B ook ouderen en mensen met een handicap als kwetsbaarder: zij reageren vaak minder snel. Iemand die slecht hoort, herken je niet altijd als zodanig, en een blinde kan alleen op zijn gehoor afgaan.

Neem iemand die moeizaam oversteekt. Richt je op wat je ziet en hoeveel ruimte en tijd die persoon nodig heeft. Je hoeft geen leeftijd of medische oorzaak te raden om je rijgedrag aan te passen.

Hoe snel rijd je als je niet alles kunt zien?

De bestelauto uit het begin van de les beperkt je zicht. Ook als je vóór je vrij asfalt ziet, kun je niet zien wat er achter de bestelauto gebeurt.

De wettelijke regel is: je moet je auto tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover je de weg kunt overzien én waarover die vrij is. Beide voorwaarden tellen.

Kun je bij je huidige snelheid niet binnen dat stuk stoppen? Verminder dan je snelheid. Wacht niet tot iemand daadwerkelijk voor je auto staat om te beoordelen of je nog kunt remmen.

Een bestelauto beperkt het zicht op het trottoir; naast de bestelauto staat een kind.
Een bestelauto beperkt je zicht; naast de auto staat een kind.

Het CBR waarschuwt in zijn Rijprocedure B voor het praktijkexamen dat het gedrag van kinderen lastig te voorspellen kan zijn. Het noemt ook kinderen die tussen obstakels de rijbaan oplopen.

De rijbaan is het weggedeelte voor rijdende voertuigen; fietspaden en fiets/bromfietspaden horen daar niet bij. Kijk bij geparkeerde auto's dus ook naar plekken waar iemand vanaf het trottoir op jouw rijbaan kan komen.

In deze situatie kijk je naar de openingen tussen auto's en pas je je snelheid aan het beperkte zicht aan.

Op het examen. Je rijdt niet automatisch veilig omdat je onder de maximumsnelheid blijft. Kun je niet stoppen binnen het stuk weg dat je kunt overzien en dat vrij is? Dan moet je langzamer rijden, ook als je de maximumsnelheid nog niet hebt bereikt.

Door geparkeerde auto's zie je maar een kort stuk vrije weg. Je kunt daarin nu niet stoppen. Wat doe je?

Hoe houd je rekening met fietsers en fouten van anderen?

Voor je rijdt een volwassene met een kind op een eigen fiets. Volgens de CBR Rijprocedure B vraagt juist een fietser die kleine kinderen begeleidt extra aandacht.

Kijk dus naar beide fietsers en hun bewegingen. Richt je aandacht niet alleen op de volwassene omdat die het dichtst bij je rijdt. Zo kun je reageren op wat er voor je verandert.

Wil je voorbijrijden, maar is de ruimte naast de fietsers krap? Het CBR noemt inhalen met te weinig tussenruimte snel gevaarlijk, vooral bij tweewielers. Beoordeel de beschikbare ruimte voordat je begint.

Bijvoorbeeld: je rijdt achter een fietser op een smalle weg. Er komt een auto tegemoet. Je ziet dat je niet tegelijk met die auto langs de fietser kunt zonder te dicht langs hem te rijden. Je blijft achter de fietser. Als de auto voorbij is, bekijk je opnieuw of er genoeg ruimte is.

Een fietser rijdt voor onze auto op een smalle weg terwijl een auto uit de andere richting nadert.
Een fietser voor je en een tegemoetkomende auto op een smalle weg.

Een andere situatie: een weggebruiker laat je niet voorgaan terwijl dat wel moet. De CBR-rijprocedure adviseert dan afremmen of stoppen. Je rijdt niet door om je gelijk te halen.

Geheugensteun. Een fout van een ander vraagt om een veilige reactie van jou. Het CBR raadt aan om fouten van een ander niet af te straffen, maar elkaar te helpen, en om geduld te hebben met andere weggebruikers.

Waar fietsers rijden, lees je in de les over fietsers en de fietsstraat. Wie je bij het afslaan voor laat gaan, leer je in de les over afslaan.

Wanneer gelden voor iemand op wielen voetgangersregels?

Je ziet een gehandicaptenvoertuig op het trottoir rijden. Laat de motor je niet misleiden: op een voetpad of trottoir gelden voor deze bestuurder ook de regels voor voetgangers.

Een elektrische rolstoel staat op het rechtertrottoir, gericht naar het trottoir aan de overkant.
Een gehandicaptenvoertuig staat op het trottoir tegenover het trottoir aan de overkant.

Voorbeeld: iemand rijdt vanaf het ene trottoir naar het andere. Je beoordeelt die oversteek ook volgens de voetgangersregels. Je behandelt hem niet automatisch als een gewone autobestuurder omdat hij zittend rijdt.

Zie je een klein gesloten voertuig, dan is de buitenkant alleen niet genoeg voor de indeling. Een gehandicaptenvoertuig is ingericht voor het vervoer van iemand met een handicap en voldoet aan deze kenmerken:

  • Het is niet breder dan 1,10 meter.
  • Het heeft geen motor, of een motor met een constructiesnelheid van hoogstens 45 km/h: de maximumsnelheid waarvoor het voertuig is gebouwd.
  • Het is geen bromfiets.

Rijdt een gehandicaptenvoertuig met motor op het trottoir of het voetpad, dan mag het daar maximaal 6 km/h. De 45 km/h uit de lijst is de snelheid waarvoor het voertuig gebouwd mag zijn, niet de snelheid op het trottoir.

Verderop loopt iemand met een fiets aan de hand. Ook voor hem gelden de regels voor voetgangers. Dat geldt eveneens voor iemand die lopend een bromfiets of motorfiets meevoert.

Klassieke valkuil. Een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig blijft een bestuurder. Op het voetpad of trottoir, en bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir, gelden voor hem ook de voetgangersregels.

Iemand loopt met een bromfiets aan de hand. Welke regels gelden voor hem?

Loopt een optocht, colonne of uitvaartstoet van voetgangers over de rijbaan, dan gelden voor die groep ook de regels voor wagens. Het CBR raadt aan zo'n groep tijdig op te merken en de hele situatie te beoordelen voordat je hem nadert.

Wanneer je voetgangers moet laten voorgaan, lees je in de les over voetgangers en het zebrapad.

Waarom rijdt dat kleine voertuig niet sneller?

Verderop zie je een klein voertuig met een gesloten buitenkant rijden. Dat kan een brommobiel zijn: een bromfiets met meer dan twee wielen en een carrosserie.

Ook als hij op een kleine auto lijkt, mag een brommobiel maximaal 45 km/h. Een snorfiets is een bromfiets die gebouwd is voor hoogstens 25 km/h. Hij mag ook maximaal 25 km/h rijden.

Nader je een van deze voertuigen, verwacht dan niet vanzelf de snelheid van een personenauto. Kijk hoe snel je dichterbij komt en pas jouw snelheid tijdig aan.

Geldt ter plaatse een lagere maximumsnelheid, dan gaat die voor. Bijvoorbeeld: waar maximaal 30 km/h geldt, mag de brommobiel geen 45 km/h rijden. De snorfiets blijft daar beperkt tot 25 km/h.

Op het examen. Lees welk voertuig wordt genoemd voordat je een snelheid kiest. Een carrosserie maakt een brommobiel niet tot personenauto. Controleer daarna of een lagere limiet geldt.

Mag die ruiter op de rijbaan rijden?

Op een landelijke weg rijdt iemand op een paard voor je. Er is geen ruiterpad. Dan kan de ruiter daar terecht rijden: zonder ruiterpad gebruikt hij de berm of de rijbaan.

Is er wel een ruiterpad, dan gebruikt hij dat pad. Ontbreekt het, verwacht dan niet dat hij uitsluitend in de berm blijft.

Je komt dezelfde ruiter 's nachts tegen, dus tussen zonsondergang en zonsopgang. Hij moet een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht geeft en naar achteren rood.

Ook overdag, wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd, is die lantaarn verplicht. Denk aan dichte mist: alleen het tijdstip zegt dan niet genoeg over de verlichting. Dezelfde lantaarn moet ook mee met iemand die een rij- of trekdier of vee geleidt.

Een ruiter rijdt op de rijbaan. Er ontbreekt een ruiterpad. Moet hij uitsluitend de berm gebruiken?

Waarvoor waarschuwen deze borden je?

Je nadert een plek met een waarschuwingsbord. Deze borden heten Kinderen, Voetgangersoversteekplaats, Voetgangers en Fietsers en bromfietsers.

Van links naar rechts: Kinderen, Voetgangersoversteekplaats, Voetgangers, Fietsers en bromfietsers
Van links naar rechts: Kinderen, Voetgangersoversteekplaats, Voetgangers, Fietsers en bromfietsers.

Bij het bord Kinderen zoek je waar kinderen kunnen verschijnen. Het bord geeft zelf geen snelheidsgetal. Je kiest een snelheid waarmee je binnen de zichtbare, vrije afstand kunt stoppen.

Zie je Voetgangers, dan waarschuwt het voor voetgangers; Voetgangersoversteekplaats kondigt specifiek een oversteekplaats aan. Het fietssymbool op het laatste bord waarschuwt voor fietsers én bromfietsers.

Oefen verder met de herhaalsprint en pas de verschillen daarna toe in de quiz.

De verkeersborden van deze lesJe geheugensteun: de vorm en de betekenis, vóór de quiz4
Verkeersbord: Kinderen
Kinderen
Verkeersbord: Voetgangersoversteekplaats
Voetgangersoversteekplaats
Verkeersbord: Voetgangers
Voetgangers
Verkeersbord: Fietsers en bromfietsers
Fietsers en bromfietsers

Verkeersborden volgens het Nederlandse Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Elk bord wordt uitgelegd in de bijbehorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.

Bronnen en methode
  • Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B, artikel 2, onderdelen a en g; versie 1 april 2026, lokale kopie van 21 oktober 2026.
  • RVV 1990, artikelen 1, 2, 8, 19, 20, 21, 22 en 36; versie 1 juli 2026, lokale kopie van 21 oktober 2026.
  • RVV 1990, bijlage 1: J21 Kinderen, J22 Voetgangersoversteekplaats, J23 Voetgangers en J24 Fietsers en bromfietsers.
  • CBR, Rijprocedure B, versie 1 januari 2024, belangen andere weggebruikers en inhalen/voorbijgaan; lokale kopie sources/complements/cbr-rijprocedure-b/page.txt. Praktische rijaanwijzingen voor het praktijkexamen.

Auteur: Wenceslas Dasnois, oprichter van Theorie Rijbewijs. Les geschreven en gecontroleerd volgens onze redactionele principes en onze werkwijze.

Beeldverantwoording. Copyright (c) 2024 Nationaal Dataportaal Wegverkeer ; Illustraties en schema’s: Theorie Rijbewijs.